Voetbal A B C

Voetbal A B C

Van onze redactie, 2009 08 25 , 14:15:23

Hier vind je alles wat je over voetbal moet weten, van A tot Z.

Aanvoerder
Leider van een team, herkenbaar aan de (aanvoerders)band om zijn arm. De aanvoerder praat namens zijn teamgenoten met de scheidsrechter en geeft aanwijzingen als de coach dat niet kan.
 
Achterhoede
Alle verdedigers vormen samen de achterhoede. Andere woorden voor achterhoede zijn defensie en verdediging. Afstandsschot Als een speler op doel schiet terwijl hij ver buiten het strafschopgebied staat.
 
Aftrap

De manier om het spel (weer) te starten. Bij het begin van de wedstrijd ligt de bal op de middenstip. Nadat de scheidsrechter op zijn fluitje heeft geblazen, mag één van de teams de eerste schop tegen de bal geven. Een team mag ook een aftrap nemen na een tegendoelpunt. Arbiter Ander woord voor scheidsrechter.
 
Assist
Een goede pass of voorzet van een speler, waarna zijn teamgenoot een doelpunt maakt. Assistant-scheidsrechter Hulp van de scheidsrechter langs de zijlijn. Hij steekt een vlag omhoog bij overtredingen, buitenspel en ingooien. Vroeger werd hij grensrechter genoemd.
 
Back
Ander woord voor (vleugel)verdediger.
 
Balcontrole
Doordat je een goede techniek hebt, gaat de bal precies de kant op die jij wilt.
 
Basisspeler
Een speler die meespeelt vanaf het begin van de wedstrijd. Hij staat in de basisopstelling.
 
Basisopstelling
De elf spelers die voor een team op het veld staan als de wedstrijd begint.
 
Blessure
Gewond raken tijdens het sporten. Bijvoorbeeld doordat je valt of beweegt op een manier die je niet vaak doet.
 
Blessuretijd
Extra minuten die de scheidsrechter bij de 90 minuten speeltijd optelt. Hij doet dit als er minuten niet gespeeld zijn door blessures of wissels.
 
Buitenspel
Je staat in de buitenspelpositie als je op de helft van de tegenstander staat en er minder dan twee spelers van de tegenpartij tussen jou en het doel staan. (Dit zijn meestal de keeper en een verdediger) Je mag niet buitenspel staan op het moment dat een teamgenoot de bal naar jou speelt.
 
Corner
Corner is het Engelse woord voor hoekschop.
 
Counter
Hele snelle aanval van een team, terwijl vlak daarvoor nog verdedigd werd. Dit is gevaarlijk voor de tegenpartij omdat veel van hun spelers bezig waren met aanvallen. Het team dat countert heeft daardoor veel speelruimte.
 
Crosspass
Een schot naar een teamgenoot die (schuin) aan de andere kant van het veld staat.
 
Defensie
Alle verdedigers samen heten de defensie. Andere woorden voor defensie zijn achterhoede en verdediging.
 
Dekken
De tegenstander die bij jou staat heel goed verdedigen, zodat de bal niet bij hem kan komen.
 
Derby
Een wedstrijd tussen twee clubs uit dezelfde stad (stadsderby) of regio (streekderby).
 
Dribbelen
Met de bal aan je voet over het veld rennen. Eén-tweetje Samenspelen met een teamgenoot. Jij speelt de bal naar hem, loopt door en dan speelt hij de bal weer terug naar jou.
 
Goal
Engels woord voor doelpunt
 
Hakbal
De bal spelen met de achterkant van je voet (hak).
 
Hands
De bal aanraken met je handen. Hands is het Engelse woord voor handen.
 
Hattrick
In één wedstrijd drie doelpunten maken. Een hattrick is perfect als je drie keer scoort tijdens één helft en de tegenstander tussendoor geen doelpunt maakt.
 
Helft
Halve wedstrijd. De 45 minuten speeltijd voor de pauze heten de eerste helft. De 45 minuten na de rust noem je tweede helft.
 
Inworp
Als de bal over de zijlijn is gerold, mag de bal met de handen weer in het veld worden gegooid. Dat doe je met twee handen boven je hoofd.
 
Jagen
Achter de bal blijven aanrennen, zodat de tegenstander zich opgejaagd voelt.
 
Kaatsen
Het doorspelen van de bal naar een teamgenoot zonder ‘m te stoppen. Aanvallers doen dit vaak als er een tegenstander achter hen staat. Die tegenstander heeft dan minder tijd om de bal af te pakken.
 
Kans
Een goede mogelijkheid om te scoren.
 
Keeper
Het Engelse woord voor doelman. De keeper is de speler die in het doel staat zodat de tegenpartij moeilijker kan scoren. Hij mag de bal ook met zijn handen aanraken.
 
Kluitjesvoetbal
Heel veel spelers dichtbij de bal. Hierdoor wordt het speelveld heel klein en kun je niet goed overspelen of een aanval opbouwen.
 
Knijpen
Rugdekking geven door het speelveld zo klein mogelijk te maken voor de tegenstander. Voorbeeld: als de bal aan de linkerkant van het veld is, komt de rechter verdediger van de zijkant naar binnen toe.
 
Koppen
De bal met je hoofd spelen.
 
Kruising
De hoeken aan de bovenkant van het doel, op de plek waar de doelpaal en de lat elkaar raken.
 
Lobje
De bal met een boog over iemand heen schieten.
 
Mentaliteit

De manier waarop je in je hoofd met voetbal bezig bent. Een ‘mentaal goede speler’ doet heel goed zijn best.
 
Muur
Een rij van spelers. Spelers van het verdedigende team maken zo’n rij als een tegenstander een vrije trap neemt. Ze vormen een ‘muur’ tussen de aanvaller en het doel om te voorkomen dat de bal in één keer op doel wordt geschoten.
 
Opbouw
Als de verdediging een aanval begint door de bal via meerdere spelers naar voren te spelen.
 
Overtreding
Je tegenstanders tegenhouden op een manier die volgens de regels niet mag. Bijvoorbeeld door duwen, schoppen of vasthouden.
 
Pass
De bal overspelen naar een teamgenoot.
 
Penalty
Engels woord voor strafschop.
 
Poorten
De bal tussen iemands benen (poortje) door spelen. Bij straatvoetbal heet dit panna.
 
Positie
De plaats waar je staat in het veld.
 
Pressie
De tegenstander onder druk zetten om de bal snel te spelen door achter de bal aan te jagen. Dit doe je in de hoop dat jouw team de bal krijgt.
 
Promoveren
In een hogere klasse gaan spelen.
 
Publiekswissel
Als een speler heel erg goed speelt en het is (bijna) zeker dat zijn team wint, dan wordt hij soms vlak voor het einde van de wedstrijd gewisseld. Het publiek klapt dan heel hard voor hem. Daarom heet een publiekswissel soms ook applauswissel.
 
Puntertje
De bal met de punt van je schoen spelen. Normaal schiet je met je wreef, maar als de bal ver weg is kun je hem soms alleen met een puntertje raken.
 
Rust

De pauze tussen twee helften.
 
Scheidsrechtersbal
Ook wel ‘stuitbal’ genoemd. De scheidsrechter laat de bal vallen tussen twee spelers (van iedere partij één). Als de bal de grond raakt begint het spel weer. Dit doet de scheidsrechter als het spel was gestopt zonder dat er een overtreding was gemaakt.
 
Schijnbeweging
Doen alsof je een bepaalde beweging gaat maken. De bedoeling is dat je tegenstander daarin trapt zodat jij juist aan de andere kant langs hem kunt gaan.
 
Schwalbe
Doen alsof je tegenstander een overtreding maakte, in de hoop dat je een vrije trap of een penalty mag nemen. Dit wordt als zeer onsportief gezien en daarom bestraft met een gele kaart. Het woord ‘schwalbe’ betekent zwaluw in het Duits.
 
Sliding
De bal afpakken door over het gras te glijden.
 
Spits
De aanvaller die het dichtst bij het doel staat opgesteld. Vaak maakt hij de meeste doelpunten.
 
Stiftballetje
De bal aan de onderkant raken, waardoor hij met een boogje over de keeper heen het doel in gaat.
 
Strafschop
Vanaf 11 meter voor het doel een directe vrije trap nemen, zonder dat er een verdediger tussen jou en de keeper staat. Je mag een strafschop nemen als een speler van het verdedigende team binnen het zestienmetergebied een overtreding maakt.
 
Tackle
Harde verdedigende actie op de bal waarmee de tegenstander wordt gestopt. Als de verdediger te laat is, raakt hij vaak de benen van de aanvaller. Dan is het een overtreding.
 
Tactiek
Speelwijze of plan om te zorgen dat je wint.
 
Tenue
Wedstrijdkleren (een shirt, broekje en sokken) in de kleuren van de club.
 
Tossen
Het opgooien van een munt door de scheidsrechter. De aanvoerders van de teams kiezen ‘kop’ of ‘munt’. De aanvoerder die het goed heeft, mag kiezen welk doel zijn team het eerst wil aanvallen. De andere partij mag de aftrap nemen.
 
Verlenging
Extra tijd als de stand na 90 minuten gelijk is en er iemand moet winnen.
 
Volley
De bal in één keer uit de lucht schieten. Hij raakt dus niet eerst de grond.
 
Voorhoede
De voorste lijn van spelers, de aanvallers dus.
 
Voorzet
Een trap waarmee je de bal voor het doel brengt, zodat een teamgenoot kan scoren.
 
Warming up
Rustig hardlopen en de spieren rekken voor de wedstrijd begint. Dit doen spelers omdat de spieren dan warm worden. En dan is er minder kans op blessures.
 
Wisselspeler
Reservespeler die niet in de basisopstelling begint, maar langs de kant (op de bank) wacht tot hij mag spelen.